Geschiedenis
De oorlogsjaren 1914-1918

Reeds vóór de Eerste Wereldoorlog begon de palinghandel te tanen door de achteruitgang van de kwaliteit van het Scheldewater. Bij het uitbreken van de oorlog, 10 september 1914, vlucht de Baasroodse bottervloot naar Nederland. Alle schepen bereiken Nederland, behalve de botter van Hubert Dooms. Dit schip was nog uitgerust met een steekmast en aangezien de spoorwegbrug van Temse niet meer draaide was het schip gedoemd om terug huiswaarts te keren.
De overige schepen kregen een voorlopige ligplaats in Moerdijk en in Papendrecht. In de laatste oorlogsjaren zijn de botters ook gebruikt als vrachtschepen, vooral voor het vervoer van stortsteen, dit tot grote ergernis van de lokale vloot. De Baasroodse schippers werden daarom met argwaan bekeken bij onze Noorderburen. Zij werden immers beschouwd als concurrenten.
Na de wapenstilstand zijn slechts vier botters naar Baasrode teruggekeerd, onder andere de "Rosalie" en de "Koophandel".
In 1919 werd de Schelde op korte termijn weer zodanig vervuild dat de schippers genoodzaakt waren de paling uit de bun te scheppen en te bewaren in manden onder de lanen. In Baasrode werd hij overgeschept in Brabantse boten en via een sluis op de eerste goot gestockeerd.
De laatste botter verdween in 1925. Het Scheldewater mocht toen beschouwd worden als totaal dood.